Wanneer het warmer wordt, verandert de sneeuw op de piste. De sneeuw wordt zachter en zwaarder en er kunnen grote hopen ontstaan. Deze papsneeuw, of ook wel ‘slush’ genoemd, vraagt om een iets andere manier van skiën dan een strak geprepareerde piste.
Probeer je ski’s rustig door de zachte sneeuw te sturen en maak je bochten mooi rond. Begin de beweging vanuit je voeten en benen en blijf centraal boven je ski’s staan. In zware sneeuw helpt het om je ski’s zoveel mogelijk samen door dezelfde soort sneeuw te laten bewegen. Plotselinge, harde draaibewegingen kosten juist veel energie en kunnen je uit balans brengen.
Papsneeuw en sneeuwhopen zorgen ervoor dat je benen voortdurend moeten reageren. Een stabiele romp helpt je om je bovenlichaam rustig te houden terwijl je benen de veranderingen in het terrein opvangen. Houd je knieën ontspannen en laat je benen onder je lichaam bewegen. Je hoeft daarbij niet stijf te worden: lichaamsspanning betekent vooral dat je voldoende stabiel bent om in balans te blijven.
Kun je goed door de zachte sneeuw sturen? Varieer dan eens tussen langere en kortere bochten. Daarmee leer je je lijn aan te passen aan de sneeuwhoopjes die voor je liggen. Kijk vooruit en kies steeds de makkelijkste route door de sneeuw. Zo hoef je niet iedere hobbel precies op dezelfde manier te nemen en houd je meer energie over.